Kleve
Zonnig geel, in een lijst van groen, rees voor ons een enorme zware stalen vouwdeur op. Door het geel leek de deur nog groter. Die kleur van zomerwarmte, feest en blijheid was in felle tegenstelling met het grijs daarachter. De pastoor uit Kleve stond ons al op te wachten. Na ons gemeld te hebben bij de wacht, bleek dat er niet op ons was gerekend; een misverstand. Wachtend beschouwden wij de bronzen wandplaat, verwonderd dat Titus Brandsma ook hier permanent wordt herinnerd. Even later kwam de directeur naar buiten. De overredingskracht van de pastoor resulteerde toch in ons afgesproken doel een wake te houden op het binnenplein van deze gevangenis in het Duitse Kleve. Er was wat heen-en-weer geloop op het plein. Vanuit een zwaar getralied venster maakte iemand met beide handen het bekende V-teken en riep iets onverstaanbaars. De situatie was bijna niet te verstaan en stilte overviel ons op die grijze middag van de 23e juli 2001. Onze gedachten gingen 59 jaar terug naar zaterdag 16 mei 1942. Toen ging die middag daar ook een deur open om de karmeliet Titus Brandsma, gevangene van het nazidom, binnen te laten. 28 grauwe dagen zou hij daar gevangen worden gehouden.
Voor ons, 27 reizigers, de meeste zijn lid van de -Familia Carmelitana-, was dit het eerste oponthoud in Duitsland. Na een korte viering in de Tituskapel van de Jozefkerk waren we die dag even na elven uit Nijmegen vertrokken voor onze vijfdaagse bezinningstocht naar de gedenkplaats van de voormalige strafgevangenis in Dachau. Daar werd in 1942 de Nederlandse hoogleraar pater Titus Brandsma als politieke gevangene van het Nationaalsocialisme omgebracht. Aanleiding voor onze tocht was het nieuwste boek van onze karmeliet Constant Dolle: -De weg van Titus Brandsma -biografie van een martelaar-.
Rondom het meegebrachte bekende zwart-wit portret van Titus in zijn gestreepte gevangeniskleding, ooit in Dachau getekend door een medegevangene, las iemand van ons een fragment voor uit het boek van Constant. De tekst over de geestelijke achteruitgang, de angsten van Titus en zijn zwijgende God werkten op onze verbeelding in.
Onder de indruk keerden we via de sluis terug naar buiten. Ironisch klonk het -f wiedersehn- van de portier toen de deur zich al weer sloot. Ongelukkige en gelukkigen, gescheiden door een zware deur.
Achter Titus portret trokken we in stille tocht naar de Stiftskirche. De pastoor daar vertelde over Kleve. Die stad werd tijdens de tweede wereldoorlog voor praktisch 80 procent platgebombardeerd. Het wordt nog al eens van tafel geveegd maar ook Duitsland kent veel slachtoffers van het Nazisme.
Daarom hebben de pastoor en wij, naast Titus Brandsma mede Karl Leisner herdacht. Deze priester was -Diozesanjugendgruppenfuhrer- en werd in 1940 afgevoerd naar Dachau waar hij is gestorven. Evenzo herdachten wij Wilhelm Frede. Als secretaris op het Nederland Consulaat in Kleve nam hij openlijk stelling tegen het Nationaalsocialisme en weigerde lid te worden van de NSDAP.
Hij is in Sachsenhausen de marteldood gestorven.
De ooit in Polen werkzame Duitse kapucijnenpater Anizet, die zich ook tegen het nazidom keerde en opkwam voor joden, werd in 1941 in de gaskamers van Ausschwitz samen met 270 Polen en 600 Russische krijgsgevangenen vermoord.
Met hen gedachten wij ook broeder Johannes Savelsberg, die in 1939 op 27-jarige leeftijd wegens -desertie- werd gedood. De pastoor noemde deze vijf slachtoffers -schatten die God ons geeft- en vertelde ons over een kentering in het denken. Dit jaar op acht mei knielde een Duitse Wehrmachtgeneral neer bij het gedenkteken voor Savelsberg; voor hem en iedereen was dit een belangrijk moment. Meer en meer ziet men daar een gezamenlijk herdenken ontstaan: Duitsers, Nederlanders en Engelsen komen al enige jaren bijeen tijdens het -Remember September- -moment in Kleve. Wat eerst een zuiver private aangelegenheid was van Nijmeegse en Kleefse burgers, als -buren zonder grenzen- is nu bijna officieel. De pastoor toonde ons de gedachteniskapel waar onder meer Titus is afgebeeld. Een van de nieuwste ramen, in deze ooit door de geallieerden op zeven oktober 1944 vernietigde en in 1951-1954 volledig nieuw opgebouwde proostdijkerk -St. Mariae Himmelfahrt zu Kleve-, toonde ons in zachte pasteltinten een afbeelding van Titus Brandsma.
Het bezoek aan Kleve, de stad die een -Platz von Verstandnis- is geworden, sloten we af met een lunch in het -Kolpinghaus-.
Hierna opnieuw op weg. In schrille tegenstelling met Titus dodenreis stond onze comfortabele rit naar Mainz. De Royal Club bus met onze chauffeur Harry, op Engelse wijze rechts zittend, was voorzien van luchtbehandeling, bar, toilet en Harrys noodzakelijke instructies alsof het een airbus betrof.
De rust, de stilte en het milde klimaat in de bus troffen wij helaas niet aan in ons Golden Tulip Hotel in Mainz, dat we s avonds om halfzeven bereikten. De herrie in de directe omgeving en de warmte binnen konden we nog even ontvluchten door een kleine stadswandeling. In het centrum verwijlden we bij de Dom en de Rijnoever alvorens we onze bedden opzochten.
Mainz
Dinsdagochtend vroeg wakker. Ruim voor zevenen al stroomden kluitend mensen uit de openingen van de Hauptbahnhof, uitvloeiend over het plein. Klikstappend liep het in deze -Beambtenstadt- voornamelijk uit kantoorpersoneel bestaande forenzenpubliek onder ons balkon door waar het geluid zich vermengde met dat van het drukke ochtendverkeer en de bouwvakactiviteiten in en bij het station. Het verwonderde mij dan ook dat Harry in deze digitale informatietijd niet was voorzien van een of andere vorm van bewegwijzering want in dat drukke verkeer kon hij maar met moeite de Karmel in Mainz bereiken. Voor de ingang van het klooster zag ik enkele mensen al hun opwachting maken.
Op de meest onverwachte momenten duikt hij op. Ietwat verbaasd nog meer bekenden te zien dan hij zelf had verwacht stond hij voor de grote garageachtige deur van de kloostergang met bewoners van Karmel Mainz om ons te verwelkomen: pater Gerhard Strijtveen. Eens was hij werkzaam bij ons in Dordrecht. Toen hij eindelijk zichzelf werd moest hij plotseling weg. Even plotseling als hij in Mainz verscheen was hij ook weer verdwenen.
In de kloostergang met uitzicht op een intieme patio wachtten de van oorsprong Nederlandse bewoners ons al op met bier, thee, koffie, en de onvermijdelijke -Kuchen-. Daar in de eenvoudig ingerichte en overwegend grijs gehouden -Karmeliterkirche- hielden wij een viering rond de Karmelregel: -de plaats bewonen-. De viering begon met het lied -Heel mij, diep mijn gaafheid op-. Na de openingsdialoog en een korte stilte zongen wij Psalm 119 -Voor altijd, Wezer, is met de hemel jouw aanspraak gesteld-. Daarna lazen we de paragrafen 6 en 8 uit de Regel over het bewonen van de plaats. Gelezen werd een tekstblok uit het boek van pater Dolle, waarin hij Titus opmerkingen over -zijn cel- beschrijft; cel als symbool van een diepe innerlijke werkelijkheid. Die tekst overwogen wij in stilte en sloten de viering af met het lied: -Dat jouw weg ten einde toe mij leidt-.
Zelfs hier in Karmel Mainz is Titus opvallend aanwezig in boekjes, afbeeldingen en net als bij de gevangenis in Kleve door middel van een bronzen plaquette, echter daar aan de buitenzijde in een met een hek afgesloten nis. Achteraf niet zo verwonderlijk, Titus heeft mede gestaan aan de heropbouw van dit monastieke gebouw. Wat mij opviel was de goed verzorgde inrichting: het meubilair, het interieur van de praktisch nieuwe Elia-kapel, de kunstwerken, waaronder een zonnig glas-in-betonraam, de verlichtingsarmaturen, een kleine meditatieruimte; alles met zorg gevormd. Buiten trok een klein metalen bordje bij de kerkingang mijn aandacht;-Beichtgelegenheit v. 08:30 - 11:30 v. 15:00 – 18:00 Weer even anders dan bij ons.
Na afscheid genomen te hebben van de bewoners werden we geconfronteerd met het feit dat onze weg niet altijd over rozen ging. Bij het achteruitsteken en het direct daarna optrekken tegen een steile helling lukte het Harry niet in de goede versnelling te geraken. Ook was er niet voldoende remlucht meer. Om in de smalle steile en drukke straat geen problemen te maken trok onze altijd rustige chauffeur de handrem aan en draaide de voorwielen dwars. Voor de zekerheid moest iedereen uitstappen. Dat luchtte de bus blijkbaar op want verheugd zagen wij en de wachtende weggebruikers dat deze met een korte aanloop de steilte overwon. Bovenaan konden we instappen. Na een korte rit door de binnenstad van Mainz stopte Harry recht tegenover de ingang van ons doel: de Stephanskirche. Dit tot genoegen van ons maar tot ergernis van het openbaar vervoerpersoneel; de bus stond op de trambaan. In de zandkleurige met steenrood gerande kerk konden we de beroemde eigentijdse ramen van de joodse Marc Chagall, bewonderen. Zijn werk is mede te zien in een museum van het Franse Nice.
De overwegend blauwe vensters, de kleur van de Griekse godin Demeter en de christelijke Maria, brachten het kerkinterieur in een moederlijke en verinnerlijkte sfeer. Pastoor Egon Retsch zou er urenlang over kunnen vertellen maar hem was ingefluisterd of gemaild, het die keer wat bescheiden te houden; het werd toch nog een lange uitleg en volgens mij kon hij elke vierkante decimeter van de ramen uittekenen.
Terug uit dit moederlijke blauw bracht de bus ons die avond nog bij het karmelklooster op een hoogte in Bamberg. Op het Internet had ik het al gezien: een -echt klooster-. Met zijn brede opgang, grote toegang, omvangrijke kruisgang, bloemrijke tuin en vele bijgebouwen voldeed het helemaal aan mijn beeld van een klassiek klooster.
De Bayrische Gastlichheit ontmoetten we in de ontvangst en de reeds gedekte tafels in de kloostergang. Een oude kromgebogen pater in karmelbruine pij met kortgeschoren hoofd liep gelijk naar het aangeslagen biervat om -kleintjes- okergeel brouwsel te tappen. We waren welkom, dat was duidelijk en spoedig zaten we dan ook aan tafel om ons interieur te verrassen met plakken vlees en -Kartoffelsalat-. Voorlopig bleef het daarbij want we zouden overnachten in het Edith-Stein-Haus in het kleine Weisendorf, waarvan Harry dacht dat het ongeveer 30 kilometer van Bamberg was gesitueerd. Dus we hadden nog een klein ritje voor de bumper in het avondlijke heuvelland.
Kilometers weg schoven onder de banden door. Ruim dertig daarvan lagen al achter ons. Het landschap lookte, kleuren verdwenen. -Waar ligt Weisendorf?-, vroeg Harry zich af.
Het was een reis die rakelings langs roodwitte wegafzettingen en groen gebladerte ging. Telkens moest Harry achteruitsteken en draaien, een dakgoot werd net niet geraakt. Tjeu Timmermans vroeg hier en daar de weg en uiteindelijk was er iemand die onze provinciaal naar binnen vroeg. In het inmiddels volledige donker konden we goed zien dat hij en de bewoner gebogen bij een tafel stonden. Stond er een borrel klaar of lag er een kaart? t Moet een kaart geweest zijn want even later kwam Tjeu zelfverzekerd naar buiten; de route was gevonden en even later reden we echt op de goede weg naar Weisendorf. Laat maar veilig bracht de bus ons op de binnenplaats van het Edith-Stein-Haus.
Ons onderkomen voor drie nachten was een goede synthese van oude en nieuwe bouw. Helder wit en steenrood wisselden elkaar af. De kamers waren ruim, fraai en Duits degelijk ingericht. Aandacht was er voor gehandicapten; elke kamer voorzien van een badruimte met mivatoilet. De gangen straalden rust uit door hun eenvoud. De zolderkapel met zijn bijzondere, bijna mystieke, entree was eenvoudig en smaakvol gemeubileerd. Een klein landelijk dorp, een rustuitstralend bouwwerk, dat moest een goede nachtrust garanderen. Edoch, de Hochstadterstrasse is weliswaar geen Autobahn maar de herrie deed er niet voor onder. Dat kon wel weer eens een Mainzer nacht worden en dat werd het ook.
Bamberg
Hetzelfde verkeerslawaai maakte ons woensdagochtend vroeg wakker. Het huis was al vol leven; Chris Victoor vond zelfs verse houtwormsporen. Eenmaal in de ontbijtzaal kwam de geur van koffie en vers bruin brood ons tegemoet. Dit en de verse kwark, lieten we ons goed smaken.
Voor die dag stond Bamberg weer gepland. Pater Matheus verhaalde daar over de geschiedenis van het klooster dat twintig bewoners telt en leiding geeft aan de Zuidduitse provincie. De zielzorg is een van de doelen waarop zij zich richten. Men is daar niet zo vooruitstrevend; liever houden zij de Beierse middenweg aan. Zij komen vaak met mensen in aanraking die radeloos zijn, die vragen en zoeken naar God. Daarvoor getuigen en de karmelitaanse spiritualiteit onder deze zoekers brengen zien zij als een belangrijke opgave.
In de stilte van de ruime barokke kloosterkerk stond voor ons de gebedsruimte, zoals genoemd in de Karmelregel, centraal. Rondom dit thema hielden wij in de ochtend een korte viering. Uit het boek van Constant Dolle hoorden we de passage waarin hij verhaalt over de vriendschap tussen Titus en medegevangene Rafael. Een vriendschap van tegenstellingen. Hoogleraar en kleermaker, gaven elkaar kracht, een kracht die het gewone oversteeg. Twee personen die elkaar in gezamenlijk Midden ontmoetten. Voor een niet-kloosterling kan de parochiekerk ook een dergelijk Midden zijn. Het gaan naar een gebedsruimte is een noodzakelijke vorm om niet vast te roesten in ons eigen kleine wereldje. Wij dienen midden in de wereld te staan, midden in de alledaagse werkelijkheid om daarin elkaar tot kracht en zin te zijn.
s Middags maakten we tijd vrij voor het inoefenen van Psalm 22, die voor ons in Dachau een belangrijk moment zal vormen. De eigentijdse vertaling van Kees Waayman vraagt extra aandacht. Chris Victoor helpt ons vakkundig en legt het hoe en waarom van de muziek uit.
Deze psalm is niet makkelijk te vatten. Je blijft gauw aan de oppervlakte van de woorden hangen. Daarom was het goed dat onze bezinningsgroep zich opsplitste om in kleiner verband de tekst in ons op te nemen en tot ons te laten doordringen. Aanvankelijk gaat het om het grijze godverlatende gevoel en de hopenloosheid van de psalmist. Halverwege vindt een omkering plaats als hij zegt -Jij buigt je naar mij- en roept hij het uit: -Ja, Hij heeft het gemaakt!- Het grijs is veranderd in rood.. Ik moest denken aan Titus toen hij in de Kleefse gevangenis slechts een grijze zwijgende God trof en alle zin kwijt was. Daar In Dachau, in zijn blauwwitte kiel met de rode driehoek, vond hij zichzelf terug trof hij ook God weer en kon daarmee zijn medegevangen bemoedigen.
Later in de kruisgang werd spontaan het bekende -Nada te turbe- gezongen. Dit lied is gebaseerd op de uitspraak van Teresa van Avila: -Laat niets je verontrusten, laat niets je beangstigen: wie God heeft ontbreekt niets. God alleen is genoeg-. Al zingend rondden we de kruisgang op weg naar de bus.
Die avond bleef het lang roerig in het Edith-Stein-Haus. Lange diepgravende gesprekken verschoven onze bedgang naar een laat tijdstip.
Dachau
De verzorgsters zullen ons die donderdagochtend vast onder de -Fruhaufstuckers- hebben gerangschikt. We wilden vroeg weg want we moesten die dag bijna 200 kilometers overbruggen. Na het ontbijt van 07:45 uur gingen we direct de baan op.
Op 26 juli, sterfdag van Titus Brandsma, naderden we ons doel van deze bezinningsreis: Dachau. Hoewel we door straten reden met gewone huizen, deed de plaats zelf wat -unheimlich- aan. Onder een bomenrij harkte een man in een grijze overal bladeren bijeen. De discotheek in de Rudolf Dieselstrasse lag er verlaten bij. Ook een nieuwbouwwijk (alles verkauft) kwam niet anders over dan bij ons en toch ,t was anders.
Eenmaal dicht bij het terrein van de voormalige strafgevangenis, de -KZ-Gedenkstatte-, zag ik overeenkomsten met toeristische plekken. Ook daar een grote parkeerplaats, telefooncellen, verwijzingsborden, en een lange weg naar de ingang. Maar bij die ingang: geen kassa s, geen folders enkel een grote terreinplattegrond en het geluid van de stilte die hangt boven dit grijs terrein. Dat was het: alles was grijs, kleurloos. Dat stille grijs was al tastbaar in de straten van Dachau, op het parkeerterrein, het trottoir onder de mensen die naar de Gedenkstatte liepen, grijs is ook de bekiezelde bodem, waar alles gebeurde dat nu wordt herdacht.
Afgesproken was dat ieder alleen of in gezelschap de verschillende plekken van het voormalige kamp kon bezoeken waarna we bij de bus onze lunch zouden gebruiken.
Opvallend was de precieze en overzichtelijke rechthoek van het terrein. Het U-vormige museum als een exacte kopie van het voormalige hoofdgebouw staat aan de kop van het terrein. Vanuit dat hoofdgebouw had ooit de kampleiding een perfect overzicht over de brede middenstraat met links en rechts een bomenrij en de barakken. Een hopeloze kleurloze aanblik moet dat geweest zijn.
Op twee replica s na zijn alle barakken weg en de brede middenstraat, met de rijen van jonge groene bomen, leidt nu naar de Totesangst Christikirche: teken van hoop.
De smeedijzeren poort van de voormalige hoofdingang toont de bekende tekst -Arbeit macht frei-. Inderdaad kan arbeid ons een zekere onafhankelijkheid geven maar werk kan ons ook knechten, afhankelijk maken, opsluiten. Vandaar dat smeedijzer?
Het museum toont beelden in zwart en wit. Bekende en ook onbekende beelden van naamlozen. Slechts een enkele wordt bij name genoemd: de kampleiders en Titus. Van hem hangt in de exporuimte een foto. Met uitzondering van twee gevangenispakken is alles wit, zwart of grijs.
Lopend door het museum veranderde mijn kijk op dit verleden. Het gaf mij een andere, genuanceerde, blik op het Nationaal-socialisme, antisemitisme en massavernietiging. Het begon allemaal ook al veel eerder. Heinrich Heine had een vooruitziende blik. Hij schreef in 1820: -Das war ein Vorspiel nur; dort wo man Bucher verbrennt, verbrennt man auch am Ende Menschen-.
Gewone mensen, daar ging het om. Gefolterden, verstrikt in prikkeldraad. Het enorme monument op de appelplaats beeldt dit veelzeggend uit. Prikkeldraad, we zijn er nog niet van af.
Al die slachtoffers, zij gaven me ook een andere kijk op heiligen; ik moest denken aan wat Erasmus ooit schreef: -Er horen meer mensen bij de gemeenschap van heiligen dan zij die bij de Kerk in het register staan- Daar in Dachau en op veel andere plaatsen zijn ze te vinden: heiligen, we hebben ze nodig.
Na de lunch waren wij te gast bij de karmelietessen OCD van Karmel Heilig Blut. Het klooster, gebouwd in 1964, sluit direct aan op het kamp en is door middel van een kleine poort van daaruit bereikbaar. Als groep kwamen we eerst in hun klooster bijeen voor een stil moment. Het was 13:50 uur. Op hetzelfde tijdstip, zondag 26 juli 1942, nam een verpleegster in Dachau een spuitje met carbol en doodde, in opdracht van een arts, Titus als -unwertes Leben-. Voor de machtigen van toen was -nummer 30492- vervallen.
-....und doch ist Einer der dies Fallen unendlich sanft in seinen Handen halt-
(Rilke)
Na dit korte moment mochten wij gebruik maken van enkele ruimten om binnen de groep onze -kampervaringen- met elkaar te delen. Daar bleek hoe verschillend bij ieder deze plek binnenkwam en confronteerde met eigen ondervindingen. Het was goed dat we daarna in een bijzonder ontspannen sfeer door de kloosterbewoonsters werden ontvangen met koffie en koeken. De zusters waren opvallend blij met ons bezoek. Zij droegen allemaal hun bruine habijt. Een bekende kleur, dat bruin, maar daar gaf me het een andere associatie: aarde, maar niet zomaar.
Om 17:00 uur werd het kamp voor bezoekers gesloten. Wij zijn toen met de zusters naar de plek van de voormalige barak 26 gelopen. De zwarte duisternis van Dachau vervloeken of bestrijden heeft geen zin. Beter is het een licht te ontsteken die het zwart verdrijft. Daarom plaatsten we op de fundatiebalk kaarsen en bij het betonnen nummer hebben we bloemen gelegd. Zo, vierden we samen de woorddienst van de eucharistieviering. -O, Jezus, als ik U aanschouw - Niet eerder zo zuiver klonken de woorden van het Tituslied.
De teksten van Constants boek werden gelezen en als een groot hulpgeroep naar de Machtige klonk psalm 22. Stil liepen we daarna naar de kloosterkapel waar we weer samen met de zusters de eucharistieviering hebben voortgezet en afsloten met het lied -Om niet te vergeten jouw naam-
Nijmegen
Verdoken kleefde het zonlicht al weer vroeg aan de houten balkonspijlen boven de ingang van het Edith-Stein-Haus in Weisendorf; dit beloofde weer zo n zonhete dag te worden als de vorige reisdagen. Qua activiteiten zou het echter een andere dag worden want vijfhonderddrieenzestig kilometers weg lagen op ons te wachten, terug naar Nijmegen.
Voor de laatste maal vertrokken we vandaar met de bordeauxrode -glider-. Harry van het keurmerk-busbedrijf Jan Hofstra zou ons die dag met zijn Royal Class weer veilig thuis brengen.
Het ging voorspoediger dan we verwachtten en we hadden niet gehoopt dat het zo warm zou worden als de kranten voorspelden. Twee redenen voor Harry om drie stops in te voeren. Een daarvan gebruikten we voor de warme maaltijd. Paul Reehuis fluisterde ons het wachtwoord -Karmel- in wat de afrekening vergemakkelijkte en de voortgang bespoedigde.
Tijdens de laatste stop op een lege parkeerplaats moest het er toch van komen: de onvermijdelijke groepsfoto. Vier deelnemers zullen we daarop niet treffen. Zij bleven in Dachau achter, om van daaruit hun reis voort te zetten naar Tsjechie.
De bus rolde vlot over asfalt en beton. Het water in het barfonteintje spetterde protesterend omhoog op de cadans van de wielen bij het passeren van de dilatatievoegen. De busgordijnen aan de westkant waren gesloten om de zon wat minder vat te laten krijgen op het interieur.
De beschouwenden onder ons kenden hun plaats en kwamen na elke stop weer terug op hun vertrouwde paarse stoel, hun eigen -cel-. Anderen zaten dan hier dan daar en knoopten steeds weer gesprekken aan. Bij hen had de actieve zijde van het leven meer de overhand. Allen echter voelde zich in vertrouwde handen en wisten wat er in benauwde momenten te doen stond: -In geval van nood hamer uitnemen en ruit inslaan-.
Zittend in het warmrode schemerlicht, gingen onze gedachten weer terug naar de voorbije dagen. Nijmegen, Kleve, Mainz, Bamberg en Dachau. Er was onmiskenbaar wat gegroeid.
De reis heeft ons dichter bij Titus en bij elkaar gebracht
Rien, onze Osse acoliet, had voor ieder een dankwoordje. Voor mij was het een troostrijk gevoel dat ook anderen soms hun eigen handschrift niet meer kunnen ontrafelen. Bij Rien leidde dit tot persoonsverwisseling wat hij in tweede termijn probeerde goed te maken waardoor het voor mij nog onduidelijker werd. Jo Goossens, die het pausschap wel ziet zitten, boog zich daarna naar Rien en dankte hem op haar beurt met een lied.
Tjeu maakt door de reis heen zo met iedereen een praatje en af en toe greep Tjalling in alle rust de microfoon om spannende mededelingen te doen. Net voor Kleve klonk boven onze hoofden zijn laatste reisbericht en ging het achthoekige, bijna lege, snoeptrommeltje voor de laatste maal rond. Precies om 17:04 uur bracht Harry zijn bus tot stilstand voor het hek van het kerkplein van de St. Jozefkerk in het vertrouwde Nijmegen.
Onze Dachaureis was voltooid.
Dachau zelf niet. Het lijkt of de wereld weinig geleerd heeft van de vele Dachaus. Ook vandaag worden boeken verbrand, gaan mensen om in het vuur van de haat. Niemand wil oorlog en toch, het staat elke dag in grijze kranten: Israelieten en Palestijnen, Ierse protestanten en katholieken. Fundamentalisten en progressieven. Nederlanders en Duitsers. Amerikanen en Europeanen. -Preventieve defentie- als mooie aanduiding voor geplande moord.
Ik denk aan Immanuel Kants geschrift '-Zum ewigen Frieden- Hoewel er landen zijn zonder oorlog is de echte vrede, laat staan de eeuwige vrede, ver achter onze horizon. Er ligt nog een lange weg voor ons. De Ene lokt ons steeds weer die weg te gaan. Een hand reiken, in plaats van ons schuldig voelen voor fouten van anderen in het verleden gemaakt, kan de eerste stap op die weg zijn.
Dachau grijs? In het bruin van de zusterpijen zag ik de met bloed doordrenkte aarde. Ik ontdekte het spirituele en trouwe blauw en het onschuldige wit van de gevangeniskleding. Het krachtige en strijdbare rood in de driehoek, icoon voor een politieke gevangene, op Titus gestreepte jack. Het hoopvolle groen van de jonge bomen. Het rose graniet van de driehoekige gedenksteen voor de vermoorde homoseksuelen. Het onontkoombare geel van de jodenster. Dit koloriet van Dachau is de keerzijde van grijs.
Dachau liet me kleur bekennen: het wit van het goede en de zwarte kleur van het kwaad vinden we niet alleen daar. Beiden zijn in ieder mens, in mij, gescheiden door zoiets als een dunne plaat matglas.
Dordrecht, 2001-08-02 - Paul Seesink toenmaals lid Karmelbeweging
Foto's
|